Vitaliteitsregelingen en de jaarrekening
Vanaf 2025 veranderen de verslaggevingsregels voor vitaliteitsregelingen. Dit zijn regelingen waarbij werknemers een deel van hun werktijd kunnen inruilen voor doorbetaalde afwezigheid. Denk aan het tijdelijk minder werken met behoud van (een deel van) het salaris en pensioenopbouw.
De wijziging raakt direct aan de vraag wanneer een voorziening moet worden opgenomen in de jaarrekening. Organisaties moeten dus opnieuw beoordelen of hun vitaliteitsregeling leidt tot de opbouw van rechten.
Opbouw van rechten of niet?
De richtlijn maakt onderscheid tussen twee situaties:
- Met opbouw van rechten: er ontstaat geleidelijk een aanspraak voor werknemers; er moet een voorziening worden gevormd.
- Zonder opbouw van rechten: de kosten worden pas verwerkt zodra ze zich voordoen.
Wat nieuw is, is de nadruk op de economische realiteit van de regeling. De beoordeling mag niet puur juridisch zijn, maar moet kijken naar de feitelijke voorwaarden.
Een diensttijdeis (bijvoorbeeld vijf jaar in dienst) wijst meestal op een regeling mét opbouw van rechten. Een leeftijdseis (bijvoorbeeld vanaf 65 jaar) speelt wel mee, maar is op zichzelf niet doorslaggevend.
Wat betekent dit in de praktijk?
Een regeling waarbij werknemers vanaf hun 65e recht hebben op minder werken, mits ze de vijf voorgaande jaren in dienst zijn gebleven, wordt als opbouwregeling gezien. De voorziening wordt dan opgebouwd gedurende het loondienstverband.
Voor organisaties kan dit leiden tot het eerder opnemen van lasten dan voorheen het geval was. Sommige regelingen zullen juist géén voorziening meer vereisen.
Kortom: herzie bestaande vitaliteitsregelingen, bepaal de economische realiteit en zorg dat de toelichting in de jaarrekening de gehanteerde voorwaarden duidelijk weergeeft.